|
Ruim veertig jaar was de huiskamer op plein 53 slagerswinkel
en slagerij Herman van Rooijen. Gebouwd als huiskamer in een
woning werd de ruimte na de sluiting van
de slagerij in april 1979 ook weer gewoon huiskamer voor de familie
Van Rooijen. Pas in 1937 begon de eerste en laatste slagerij
van de Haar. Een gesprek met de weduwe Mien van Rooijen en dochter
Agnes, die het leven in de slagerij elk op hun eigen manier hebben
meegemaakt. "Iedereen te vriend houden. Dat had je als middenstander
wel. Dat is een stempel". Mien van den Bosch kón
ongelooflijk 'schoon' schrijven en goed leren. Ze groeide op
aan de Themaat, waar ook haar moeder was opgegroeid. Ze ging
op de Haar met vriendin Bep Veenbrink naar school bij meester
Theunissen. "Het was meisjes bij meisjes en jongens bij
jongens. Ik zat nog drie weken in de zevende klas, toen moest
ik thuis komen. "We gingen in april over, dus het drukke
oogstseizoen op de boerderij brak aan. Ik kreeg geen getuigschrift,
want meester Theunissen
was boos op mijn vader, die mij van school haalde". Ze heeft
een oefenschrift schoon-schrijven, waarin haar prachtige handschrift
uit 192 T bewaard is gebleven. "Ik was niet blij, ik leerde
graag, ik had juf, onderwijzeres, willen worden".
Ze herinnert zich het spelen op het schoolplein. ,, Boompje verwisselen,
tollen, hinkelen, knikkeren, dat deden we op een houten rand
tegen de wal aan, je moest dan echt opgooien. Je was nooit weg
van de Haar, dat mocht ook niet". De meeste vakken op de
lagere school droegen dezelfde naam als nu. Dictee was een apart
vak, net als zingen. Gym ontbrak. Handwerken was een vak voor
meisjes: "Je maakte, ik weet 't nog, een nachtjapon met
ruches. Je leerde haken, breien en mazen".
Met plezier denkt ze aan de winters op de Haar. " Schaatsen,
eerst op de oude vijver, bij meer vorst op de kruisvijver, alle
middagen. Daarna thuis bovenop de kachel. Moeder was zelf enthousiast,
deed de vaat voor ons en maakte thee en brood"
OP DE BRUG
Mien van den Bosch hoefde het geluk niet ver te zoeken. Herman
van Rooijen woonde 'om de hoek' aan de Joostenlaan. Mien was
het derde kind uit een gezin van een jongen en vijf meisjes.
Hij was de vijfde zoon uit een gezin van een meisje en negen
jongens. "We leerden elkaar kennen, omdat hij de loopeenden
op moest halen. We zagen elkaar op de brug in de Joostenlaan.
Negen jaar, tot mijn 27e hadden we verkering. Herman is zonder
papieren slager geworden, nadat hij gewerkt had bij slagers als
Boereboom en Schoonderwoerd". Ze lacht:,,Dat is maar goed
ook, anders hadden we nu nog op de brug gestaan. Boer worden
met zoveel broers, dat gaat heel moeilijk". Tijdens de verkering
'diende' ze bij Anton van Rossum, ook aan de Themaat. "Daar
werd ik van verlegen toch zelfstandig".
In juni 1937 huurde Herman van Rooijen het huis Plein 53, nu
Brink 3, en vestigde zich als zelfstandig slager. 'De kat op
het spek binden' was er niet bij. Mien werkte thuis op de boerderij,
haar zus werkte mee in de slagerij. Ze vertelt:,,In 1938, na
een jaar, zijn we getrouwd. We betaalden zes gulden huur. In
1943 hebben we het van de oude smid Van Dijk van de Dorpsstraat
gekocht. Het was natuurlijk heel hard werken, deur-aan-deur klanten
werven. Gelukkig kende Herman een hoop mensen. Zelf kochten we
koeien en varkens en haalden die op. Een koe kostte zo'n 250
gulden. Een ont^metworst zes cent. De koeien stonden vast aan
een hekwerk voor de slagerij. Ik herinner me nog de jacht op
een losgebroken koe, die de wal opging. De hele slacht deden
we zelf. De koeien werden in de slagerij doodgeschoten met een
patroon m een houder. Eens schoot een knecht mis, toen Herman
er niet was. Tot onze verbazing bleef de koe gewoon staan. Herman
slachtte ook bij de boeren zelf, het varken op de ladder. De
vier gehakte bouten gingen de koeling in. De huid ging naar het
abattoir, de botten hielden we wel. Ook de kop.yan de koe werd
benut, voor worst, balkenbrij en zure zult. Vet werd uitgesmolten
en tot kaantjes uitgebakken. Donderdag was altijd braaddag, dan
werd ook de rollade met de hand geknoopt".
KRABBEN
Mien en Agnes herinneren zich het zware werk. "Hout slepen
voor het grote fornuis, het slagers-blok afkrabben, dat was echt
keihard, zo'n blok ging dertig jaar mee. Bij Dijkers en bij Eef
Baars in Vleuten haalden we houtkrullen voor het roken van hammen
en worsten. De takkenbossen haalden we ook uit het verboden bos,
aan de andere kant van de Bochtdijk. En met Kerst pikten we wel
es een verse kerstboom mee", .
In de oorlog speelden voedselbonnen en clandestien slachten vanzelfsprekend
een belangrijke rol. "We zijn nooit gepakt". Mien moppert:
"We moesten clandestien slachten voor het kasteel, we verstopten
't op zolder. Maar na de oorlog werden we daar weggestuurd".
Ook bij boeren werd illegaal geslacht. De politiemensen, als
Van Rooijen en
Diepenveen, kwamen langs en werden op een stuk worst getrakteerd.
Voedsel genoeg in Haarzuilens, maar andere herinneringen zijn
minder prettig. ,,Bedelaars gaven we vaak brood mee. Een vrouwtje
kwam uit Amsterdam gelopen en wilde koren en vlees kopen. Je
werd dan wel gedwongen om een mooi tafellaken aan te nemen, dat
heb ik nooit op tafel gehad".
Tegen het einde van de oorlog bivakkeerde Duits 'paardenvolk'
op de kasteellaan. Ze sliepen bij Van Rooijen in de schuur en
kookten hun eten op de slachtplaats. ,,Het waren nette lui".
De familie kreeg ook inkwartiering van NSB'ers. "Dan werd
het opeens merkwaardig druk in de winkel, de winkelbel klingelde
werkelijk de hele tijd, ze werden er gek van en verdwenen al
snel".
In april 1946 werd de eerste naoorlogse 'paaskoe' gekocht zonder
bonnen. Zo'n paaskoe was elk jaar iets extra's. Ook het vlees
moest dan op z'n 'paas-best' zijn.
Agnes was de vierde uit het gezin van negen kinderen. Hans, Ton,
Jan, Mieke, Corry en Antonino, Toos en Herman waren de anderen.
"We moesten 't van de 'uitbreng' hebben. Een dorpswinkel
leverde niet voldoende op. We brachten bestellingen weg en haalden
boekjes op, zo'n 200 stuks. Rijndijk, Lage Haar, Parkweg, Thematerweg,
Schoolstraat, ja zelfs over 't spoor!
't.was maandag horen, dinsdag brengen, donderdag horen en
vrijdag of zaterdag brengen. De vleeswaren voor in 't mandje,
de rest in de dubbele rieten mand op de bagagedrager. Hans, de
oudste,,reed op een trans-portfiets met een enorme mand, ook
naar 't abattoir aan de Amsterdamsestraatweg. Hij was zo klein,
ze zetten hem daar op de fiets en dan dóór fietsen,
want zelf weer opstappen, dat ging niet". Met een broer
ging Agnes op zondagavond ook gekochte koeien ophalen, die de
volgende ochtend moesten worden geslacht. ,,Bij Rijk Wijn-bergen
op Laag Nieuwkoop en Jaap Voorsluis aan de Spijcklaan. Eens ontsnapte
een koe in het bos, die moesten we in het donker weer vangen".
Mien van Rooijen vult aan:,,Pas na twintig jaar huwelijk kwam
een echte wasmachine. Daarvoor deed ik de was op maandag om vijf
uur 's ochtends op het grote fornuis in de slagerij. De was opkoken,
op de hand wassen en wringen. Om half acht klaar, want dan moest
het fornuis vrij zijn voor de slacht".
Kort voor de sluiting, in 1976 werd de slagerij verbouwd tot
'poelier Pronk'. Voor filmer Bert Haanstra, die zijn film ,,Dokter
Pulder zaait papavers" voor een deel in Haarzuilens heeft
opgenomen. Vier dagen was de winkel dicht. Agnes: " Iedereen
te vriend houden, dat had je als middenstander. Dat is een stempel".
Zo werd de middenstand ook zelf benaderd. De drie katholieke
slagers kregen beurtelings het klooster en Huize Jozefzorg een
maand als klant.
Herman van Rooijen hield van de vrijheid als ondernemer en het
contact met de mensen. En Mien schreef en deed de boekhouding
voor de winkel.
|