De herinneringen van een kleine boerenknecht. C. E. Kooijman
werkte aan de Themaat bij Haarzuilens. In eigen woorden opgeschreven
door hem, alleen voor zover nodig duidelijker gemaakt door minieme
veranderingen in de tekst. Het zijn heel nauwkeurige herinneringen
vol details, die gaan over twee verschillende werkdagen. Aan
het eind zijn twee kleine herinneringen toegevoegd, die ook met
het boerenleven hebben te maken.
"De kleine polderjongen van 12 jaar werd. boerenknecht op
Haarzuilens op de Themaat bij Kees Vermeer. Ja, mijn neef J.
van de Meer was daar ook knecht, die had gehoord dat ik van school
was. Die kwam vragen of ik zin had om daar knecht te worden.
Mijn vader zei, laat Van de Meer maar eens komen praten.
Een week later was het zo ver. Ik werd voor een jaar boerenknecht,
mijn loon was f 2,50 per week en een kaas. Mijn baas zou mij
met paard en wagen halen, want mijn kistje moest mee. Daar gingen
mijn kleren in, klompen en je schoenen, werkkleren en je zondagse
kleding.
Ik kwam os maandag om elf uur. Mevrouw Masop uit Vleuten was
er om te wassen. Het eerste wat ze zei: zeg. Kees Vermeer, moet
dat kleine knechtje met de kinderen spelen. Nee, zei baas Vermeer,
dat wordt onze ploegdrijver. Ik had mijn kistje op de slaapstal
en kon mijn kleren uitpakken en mijn werkkleren aantrekken. Maar
toen was het twaalf uur, etenstijd. Ik kreeg plaats naast de
andere knecht, en dat bleef mijn plaats. Mijn baas vroeg al,
lust je spek? Ik zei ja, en toen kreeg ik een paar groote schijven
spek, hoor! Maar je had mes en vork om het stuk te snijden. Na
het eten gingen we met de knecht naar de slaapstal, en die vertelde
mij, welk bed voor mijn was en welke kleerkast voor mij was,
enzovoort.
Mijn eerste werk was bieten snijden voor de koeien, vijf grote
manden vol. Toen gingen wij hooi halen bij een van de hooibergen.
Toen werd het melktijd, zei mijn baas. Ik moest de goten voor
de koeien uitvegen, ik kreeg een bezem en aan de slag. Toen dat
gebeurt was, gingen we koeien eten geven, bieten-meel en slobber,
toen dat op was, kregen ze hooi. Het melkgerei werd voor de dag
gehaald, toen moesten we eerst thee drinken, daarna moesten wij
gaan melken.
Ik kreeg emmer, koeblok en een touw. Mijn baas deed het eerst
voor hoe je een koe moest spannen. Daar zit je bij zoo'n grote
koei, en ik moest aan de spenen trekken en nijpen, en al gauw
kreeg ik er melk uit. Mijn baas zei, het gaat goed, dat kan je
zoo. Mijn baas zei, nu zal ik hem melken, want het moet er schoon
uit, de melk. Toen mocht ik weer een andere beginnen, tot wij
klaar waren met melken. Hij zei, over een week kan je goed melken.
Toen moesten de koeien water hebben. De koeigoot werd schoon
geveegd en de stop van de pompbak ging er uit en het water ging
naar de koeien. Maar je moest ook nog bijpompen eer de koeien
genoeg hadden. Dan moest je koeienkoek voeren en de ene koei
kreeg meer dan de ander, na ze melk gaven. Toen kregen ze weer
hooi. Aan de andere kant was de paardestal, er stonden vier paarden:
drie werkpaarden en een rij-paard, de witte schimmel. Er stonden
ook nog mest-koeien.
Toen alles klaar was gingen wij ons wassen en moesten wij brood
eten. Ik kreeg twee groote sneden brood met kaas, en voordat
wij om negen uur naar bed gingen, kregen wij een bord pap met
brood erbij. De paarden en mestkoeien eerst nog water en hooi
en toen gingen wij haar bed. De knecht. Steven van de Meer, die
sliep al heel gauw. Maar dat leven van die paarden en koeien
was ik niet gewend, om vier uur 's morgens werd je weer gewekt
om te melken. Dat was je niet aangewend, zoo vroeg uit je bed,
de volgende avond sliep ik zoo".
,Jk moest de eerste dagen hout van buiten naar de houtloods brengen
en opstapelen, totdat baas Vermeer zei, het is mooi weer, wij
gaan samen ploegen. Dat beurde ook, een wagen en de ploeg erop
en nog vier paarden. Twee voor de wagen en ik moest er twee achter
op de wagen vasthouden, en zoo ging het de dijk op naar het Haarpad.
Daar werden de vier paarden voor de ploeg gespannen. Toen wij
daarmee klaar waren, zei de ooas, hier heb je de teugel van de
twee voorste paarden, en de achterste moet je met de hand leiden.
Als je achter ben, moet je linksaf, de twee van voren eerst draaien
en de twee achterste nog door laten lopen. Nou, dat was wat hoor,
lopen naast vier van die groote paarden, ik zweette water en
bloed, maar het ging steeds beter.
Mijn baas zei: wel, eens even rusten. Nou, daar was ik voor,
toen het kwart voor twaalf was, gingen wij naar huis. Maar eerst
kregen de paarden water en kort, dat was de gervenhaver met de
haver er nog in. Dat ging door de kort-machine en dat was fijn
voor de paarden. Dan gingen wij ook eten. Melken had ik gauw
slag van, de koeien, die niet zooveel gaven kon ik al gauw melken". |